ir. Herwin Sap, Architect BNA
Postbus 2122 / 6201 CA / Maastricht
Omstraat 17 / 3620 / Veldwezelt [Be]
Tel. 06-12367447
h.a.sap@has-architectuur.nl



Renovatievoorstel huurwoningen
Heinsiusstraat e.o. te breda

Visie op architectuur en stedebouw van M.J. Granpre Moliere

De geschiedenis van de moderne architectuur in de eerste helft van de vorige eeuw beperkt zich niet tot de moderne architectuur van de Nieuwe Zakelijkheid of het Nieuwe Bouwen. Naast deze avant-gardistische architectuurstroming bestond een stroming die zich meer oriënteerde op traditie, ambachtelijkheid en geborgenheid. Grote waarde werd hierbij gehecht aan de zintuiglijke, visuele kwaliteiten van het gebouw door gebruik van ambachtelijke materialen en vormentaal.

Een belangrijke representant van deze meer romantische moderne stroming was de Delftse School; een benaming die geïntroduceerd werd door de architect J.J.P. Oud van de kunstenaarsgroep De Stijl. J.J.P. Oud refereerde naar de groep rond prof.ir. Granpré Molière (1883-1972) die doceerde aan de TU Delft. Andere representanten van deze Delftse School zijn o.m. de architecten Kropholler, Berghoef en Dom Hans van der Laan. De Delftse School wordt veelal aangeduid als 'traditionalistisch', hoewel dit een term is die Granpré Molière zelf afwijst; "Er is geen sprake van kiezen tussen modernisme en traditionalisme zoals men vaak heeft gemeend; voor ons kan alleen sprake zijn van een bevruchting van het een door het andere, alleen van een werkelijke vooruitgang, dat is: een algemene uitbreiding van de cultuurschat die ons is toevertrouwd." (Woorden en Werken, p.60).

De populariteit van de architectuur en stedebouw van Delftse School én het vertrouwen in de toekomstwaarde ervan blijkt onder meer uit de naoorlogse bouwactiviteit van de architecten van de Delftse School; veruit de meeste naoorlogse wederopbouwprojecten gingen naar deze architecten en ook op de vormgeving van de Wieringermeerpolder en de Noordoostpolder is de invloed van Granpré Molière en zijn geestverwanten groot geweest.

De eerste stedebouwkundige opdracht van Granpré Molière is het Rotterdamse tuindorp Vreewijk. Het is een belangrijke kans geweest voor Molière om zijn visie op het tuindorp-concept en volkswoningbouw in het algemeen te ontwikkelen en vorm te geven. Vreewijk was ondanks de traditioneel aandoende architectuur een qua omvang, planning en woningtypologie belangrijk modern volkshuisvestingsexperiment. De woningen van Vreewijk zijn enkele jaren geleden, op aandringen van de bewoners, grondig gerenoveerd. Belangrijk in de stedebouwkundige visie van Molière is naast gerichtheid op visuele waarden en beleving die ook zijn architectuur kenmerkt vooral de aandacht voor de openbare ruimte als verblijfsruimte en de oriëntering op een centrum als hart van de stad, wijk of buurt.

Cultuur
Granpré Molière benaderde de architectuur vanuit de culturele dimensie; het denken over architectuur en stedebouw is voor hem denken over beschaving. Zijn vormgeving beschouwde hij als uiting van de Nederlandse en eigentijdse cultuur, met daarbij verwijzingen naar de plattelandsbouwkunst. Architectuur moest zich van Granpré Molière teweer stellen tegen de dreigende uniformering en ontmenselijking van de industriële en commerciële maatschappij. Hij verzette zicht tegen het industriële "met haar tendens alles te herleiden tot haar eigen één-tonige productiewijze". Granpré vreesde voor het "sjabloneren" van de mens door een industriële bouwwijze. Architectuur moet van Granpré Molière uitstijgen boven het individuele. Architectuur moet raken aan een hogere orde; objectief, onveranderlijk en gebaseerd op universele normen. Hij keerde zich dan ook tegen een technische en economische (tijdelijke) benadering van architectuur. Zijn architectuur is praktisch, sober en introvert; de schoonheid ervan ligt in de eenvoud en harmonie tussen ruimte, massa en licht. Molière streefde naar een "volledige aangepastheid [van de woning] aan het ritme van de ziel." Deze aangepastheid is volgens hem aanwezig wanneer "in een blik wordt overzien èn dat de woning nuttig is voor de lichamelijke veiligheid èn weldadig voor het oog, èn, vooral, dat ze oprijst als een teken van de waardigheid, waartoe de mens krachtens zijn unieke natuur is geroepen." (Het huis in de 20e eeuw, p 10-11).

Belangrijke thema's in de architectuur van Molière zijn de entree, de hof, de gemetselde muur en de afgewende beweging, samen te vatten in zijn centrale thema van openheid en geslotenheid in architectuur; "beslotenheid in openheid" (Het huis in de 20e eeuw, p30). Be- of geslotenheid is hierin geen 'dicht zijn'. Molière ligt dit toe door het voorbeeld van het 'oog' te geven dat "een volkomen gesloten bol is en toch meer open dan welk ding dan ook. De hele wereld keert er in terug." (Het huis in de 20e eeuw, p.30-31). De beslotenheid van de woning, en de buurt, was voor Molière een belangrijke voorwaarde voor het zich thuis voelen van de bewoner. Door deze beslotenheid in openheid op een goede manier vorm te geven ontstaat volgens hem een woning, of buurt, die des te meer bij de stad betrokken is. "... door de juiste afsluiting wordt het huis meer deel van het stadslichaam" (huis in de 20e eeuw, p.31)

Het huis biedt een welbesloten interieur dat alles in zich bevat. Zonder beslotenheid zou dit ondenkbaar zijn. Daartegenover is het op een eigen wijze deel van een groter geheel. "Het huis nu heeft een kosmische gebondenheid door het venster, en door de ingang is het open naar de samenleving." (20e eeuw, p.31)

De entree
Het 'ingaan in de rust' is voor Granpré Molière een essentie van het leven. De entree speelt hierdoor een bijzondere rol in de architectuur en stedebouw van Granpré Molière. "Nu komt men van buiten in de rust die het huis biedt." De deur is hierbij een natuurlijk teken, een impliciet symbool. Om dit teken te doen spreken, om het een expliciet symbool te maken is een 'overvorming' van de deur nodig, ter benadrukking van deze idee. "Iedere entree van een huis moet iets van een erepoort hebben, zonder dat kan een mens niet binnenkomen". (De eeuwige architectuur 55/56) Bij de entrees van de woningen aan de Heinsiusstraat e.o. is deze idee terug te vinden in de bakstenen omlijsting van de entree en de expressieve betonnen lateien. Bij de woningen aan de rand van het buurtje (type a) wordt dit bovendien gecombineerd met een eenvoudige voorhof die het 'binnengaan' dramatiseert.

entree woning type aentree woning type b

Een ruimtelijk geheel wordt volgens Molière gevormd door ruimtedelen en ruimte soorten. Deze verhouden zich als het natuurlijke tot het kunstmatige; het minder volkomene tot het meer perfecte. Met betrekking tot architectuur betreft dit bijvoorbeeld de verhouding tussen doorgangsruimte en verblijfsruimte of tussen buitenruimte en binnenruimte. Of algemener; als meer bijkomstige ruimte tot een meer zelfstandige ruimte. Ruimte is volgens Molière niet autonoom; er is altijd sprake van een samenhang of opeenvolging. De voorhof van de woningen aan de rand van het buurtje (type a) komt tegemoet aan deze idee van opeenvolging en refereert aan het architectonische thema van het 'midden', de harmonische middenterm tussen binnen het buiten. "Het midden tussen binnen en buiten... dat functioneel minimaal kan zijn, maar dat in de kunst tot een dominant gemaakt wordt. De kunst immers schept geen substanties, maar relaties, en het is juist door deze relaties te verzelfstandigen dat zij zich uitspreekt. Deze middenterm zal hier dus een ruimte of ruimte-deel zijn, dat niet dwingend functioneel is, dat noch geheel gesloten, nog geheel open is, maar iets tussenbeide." (Granpré Molière e.a., Bouwen Wonen Leven, 1965, p.122). Deze middenterm is een element dat ook in eerdere ontwerpen voor woningen van Molière terug te vinden is. In de villa die hij in 1918 ontwerpt voor de schilder Dirk Nijland wordt bijvoorbeeld een terras gebruikt om de overgang van huis naar tuin te formaliseren. Ook in Vreewijk is een dergelijk element terug te vinden waarbij de overgang van straat als openbare ruimte naar woning als particuliere ruimte wordt op functionele wijze wordt geformaliseerd door een bij het woonhuis horende eigen stoep.

Afgewende beweging
Kenmerkend voor, met name, het naoorlogse architectonische en stedebouwkundige werk van Molière is een de wereld afgewende beweging. Dit geld voor zijn architectuur en naarmate Molière zich verder ontwikkelt ook steeds meer voor zijn stedebouwkundige visie. "Naarmate het openbare leven meer openbaar wordt, moet -omgekeerd- het innige samenwonen van de familie ook meer intiem, meer besloten, meer afgezonderd worden.". Een woning die gericht is op de verte, het 'uitzicht', is voor Molière een teken van leeghoofdigheid en wereldvreemdheid. Waar Molière naar streeft is "de essentiële afzondering, maar binnen het organisme van de stad." (Bouwen Wonen Leven, p116-118). De woning is voor Molière in essentie een compositie van openheid en geborgenheid.

Literatuur
M.J. Granpré Molière, 1957, De eeuwige architectuur I; De hedendaagse architectuur in het licht der geschiedenis, Amsterdam, Argus
M.J. Granpré Molière, 1949, Woorden en werken, Heemstede, De Toorts
M.J. Granpré Molière, 1965, Het huis in de Twintigste Eeuw, Den Haag, Cedo
M.J. Granpré Molière e.a., 1966, Bouwen Wonen Leven, Amsterdam, De Bussy
J.A. Kuiper, 1991, Visueel en dynamisch; De stedebouw van Granpré Molière en Verhagen 1915-1950, Delft, Publicatieburo Bouwkunde
Cultuur-historische waardenkaart v/d Provincie Brabant

beginpagina renovatievoorstel